4 Bezoekers Online!
 
  Onderwerp Korte uitleg notenschrift                                                  Aantal malen gelezen: 39003
  Auteur Gilbert Hoek van Dijke
Korte uitleg notenschrift

Hieronder leg ik het notenschrift kort uit. Voor iedereen (dus ook de niet-notenlezers) is het handig om op zijn minst het deel over ritme goed te begrijpen, je kunt dan snel een stukje muziek volgen. Verder is het prettig wanneer je het deel over toonhoogte 'ongeveer' begrijpt, je kunt dan een stukje muziek dat je vergeten bent zelf weer terughalen als je de muziek op papier hebt. Aan het eind nog wat aanvullende informatie over muzieknotatie. 

Ritme: Lange en korte noten, rusten

De vorm van een noot geeft aan hoe lang een noot duurt. De meest voorkomende noten zijn:

    

Voor een overzichtelijk notenbeeld worden achtste noten vaak in groepjes van 2 (of meer) aan elkaar geschreven. Hieronder staat drie keer hetzelfde: 

    

Om goed in de maat te spelen, kan je bij de muziek tellen. We doen dit als volgt:

    

Een punt achter een noot maakt de noot de helft langer: 

    

Hiermee kan je het veel voorkomende 'huppeltje' opschrijven en tellen:

    

Soms valt er een korte stilte tussen twee noten, dit heet een rust. De vorm van een rust bepaalt hoe lang deze duurt:

    

Lage en hoge noten

De hoogte van het bolletje op de notenbalk geeft aan hoe hoog de noot klinkt: 

    

De volgende noten zijn voor ons het belangrijkst. Boven de balk staat de naam van de noot, onder de balk zie je waar je die noot op je C/F-trekzak vindt: welke knop, binnenrij of buitenrij, trekkend of duwend:

Leer dit schema niet uit het hoofd, maar gebruik het als naslag wanneer je een toon niet op je gehoor kunt vinden.

Andere belangrijke symbolen

Aan het begin van de notenbalk staat een sleutel, deze geeft aan hoe hoog de noten moeten klinken. Voor een trekzak-melodie is alleen de vioolsleutel van belang (bovenste sleutel). Een bassist gebruikt een bassleutel (onderste sleutel), de noten op deze notenbalk klinken veel lager dan bij een vioolsleutel.

    

Twee cijfers boven elkaar in de eerste maat geven de maatsoort aan, zie de figuur hieronder. Veel voorkomende maatsoorten zijn 2/4, 3/4, 4/4 en 6/8. Het bovenste getal geeft aan hoeveel tellen er in een maat zitten, het onderste getal geeft aan welke noot je als één tel rekent. 3/4 betekent dus: 3 tellen in elke maat, een kwartnoot duurt één tel. Er kunnen natuurlijk ook andere noten in de maat voorkomen, zolang het totaal aantal tellen per maat maar klopt. De onderste balk toont voorbeelden hiervan. 

    

Een kruis () voor een noot geeft aan dat de noot een halve toon hoger is dan zonder kruis. Er komt dan "-is" achter de naam van de noot, bijvoorbeeld: fis is een halve toon hoger dan f. Een mol () vóór een noot verlaagt de noot met een halve toon, er komt '-es' achter de naam: een bes is een halve toon later dan een b. Deze verhoging of verlaging geldt tot het einde van de maat. Wanneer binnen één maat na een fis toch weer een f gespeeld moet worden, plaatsen we voor deze f een herstellingsteken (). Ook dit herstellingsteken geldt tot het einde van de maat. In het voorbeeld staan achtereenvolgens: f, fis, c, cis, b, bes, b en nog een b.

    

Wanneer, als gevolg van de toonsoort, elke f verhoogd moet worden tot fis, geeft men dit niet meer in elke maat afzonderlijk aan. In plaats daarvan plaatst men voortekens bij de sleutel: kruizen en/of mollen die gelden voor het hele muziekstuk. In onderstaand voorbeeld geven de kruizen aan dat elke f een fis wordt, en elke c een cis. Wanneer in het stuk toch een f voorkomt, krijgt deze f een herstellingsteken. Hieronder staat dus: fis, fis, cis, cis, f, f, c, c.

    

Muziek die tussen dubbele strepen met puntjes staat, speel je twee keer (herhaling). Als muziek vanaf het begin moet worden herhaald, laat men de strepen in de eerste maat vaak weg.

    

Vaak moet een muziekdeel worden herhaald, maar loopt de tweede keer iets anders af dan de eerste keer. De twee verschillende einden worden dan onder twee genummerde haken genoteerd. In onderstaand voorbeeld speel je de muziek tot het herhaalteken onder haak 1 (maat 1 t/m 4). Dan herhaal je maat 1 t/m 3. De muziek onder haak 1 (dus maat 4) sla je over, in plaats daarvan speel je de muziek onder haak 2 (maat 5).

    

De dubbele maatstreep rechts geeft aan dat het muziekstuk hier eindigt.

Een voorbeeld uit de praktijk

       -midi

Reactie ? gebruik het forum !                                                                                   Geplaatst op: 15 november  2005